
De Familie Van der Heijden in de Oorlogsjaren
Neergeschoten door de Duitsers in de laatste dagen van de oorlog.
Fons van der Heijden een ruimdenkendheid man, gastvrij en met een avontuurlijke geest.
Toen de oorlog uitbrak en de eerste onderduikers hulp zochten, hoefde hij niet lang na te denken. Zijn huis en boerderij in Netersel werden een schuilplaats voor Nederlandse studenten die de Arbeitseinsatz wilden ontlopen, Franse krijgsgevangenen en Engelse piloten. Samen met zijn vrouw Mina en hun kinderen zorgde hij voor een veilige schuilplaats.
Zijn vrouw Mina speelde hierin een onmisbare rol. Zonder haar toewijding was het opvangen van zoveel mensen onmogelijk geweest. Terwijl Fons de buitenwereld regelde en contact hield met het verzet, hield Mina samen met hun dochter Netje het huishouden draaiende. Hun boerderij fungeerde niet alleen als onderduikadres, maar ook als een doorgangshuis voor vluchtelingen op weg naar België. Onder het afdak op de binnenplaats – Den Herd – vond het dagelijkse leven plaats: een lange tafel waar iedereen samenkwam, verhalen de ronde deden en vriendschappen ontstonden.
Tuur Eijsbouts, klokkengieter uit Asten, herinnerde zich deze tijd levendig:
“De korte periode die ik in Netersel verbleef na de moord op mijn schoonvader, burgemeester Wijnen van Asten, tot aan Dolle Dinsdag, was een van de meest interessante van mijn leven. De familie Van der Heijden bood onderdak aan mijn zwager en vele anderen. Het was een huis van warmte en gastvrijheid, waar Moeke een moeder was voor ons allen en Fons een gemoedelijke gastheer. We aten samen aan de lange tafel onder het afdak, met patatten en groenten van eigen land, clandestien geslacht vlees en smokkelwaar uit België. Er was altijd een stukske konijn of haas, een bakske koffie – misschien surrogaat, maar in die sfeer heerlijk – en een sigaretje van zelf geteelde tabak. En voor dit alles is nooit een rekening gepresenteerd. Het kostte durf en organisatietalent, maar het was er, voor alle onderduikers en vluchtelingen.”
De gastvrijheid van het gezin betekende hard werken, vooral voor de vrouwen in huis. Netje beschreef hoe de was gedaan werd:
“Iedereen droeg overalls en floeren broeken, en met de onderduikers erbij was er een enorme hoeveelheid beddengoed, handdoeken en sokken. Op zondagavond begon ik al, want er was zoveel werk. We maakten onze eigen zeep, zetten de was in de week, kookten het en wasten alles op het wasbord. Daarna laadden we de schone was op een platte wagen en spoelden het uit in de stroom om water te besparen. Het drogen duurde drie tot vier dagen, en daarna begon het strijken – elk kussensloop, zakdoek of hemd moest eraan geloven, met strijkijzers die we op de kachel verwarmden.”
Naast het huishouden runde Netje vanaf haar achttiende de kruidenierswinkel. Tijdens de oorlog ontstond er een ruilhandel: stoffen van Tilburgse textielfabrikanten werden geruild voor graan. De stoffen werden opgeslagen op de pastoriezolder, wat betekende dat ze voortdurend heen en weer moest lopen. Van het verkregen graan bakten Mina en haar zoon Sjef zo’n vijftig broden per week voor de gijzelaars in Kamp Haaren.
Naast onderduikers bood de familie ook tijdelijk onderdak aan kinderen uit Amsterdam die op het platteland kwamen aansterken. Hun huis was niet alleen een schuilplaats, maar een bron van steun en zorg voor velen.
Piet van der Heijden kijkt met een mengeling van trots en verdriet naar een oude foto van zijn vader. Een jonge man met een sigaar in de mond, een hoed schuin op het hoofd, een onbevreesde blik in zijn ogen. Een blik die de wereld niet al te serieus lijkt te nemen. De foto is genomen in het weekend van 16 en 17 september 1944. Enkele dagen later, op woensdag 20 september, wordt Fons van der Heijden door de Duitsers gefusilleerd.
“Papa was een klein ventje,” zegt Piet, zichtbaar geëmotioneerd. “Humoristisch, altijd gedichtjes bedenkend, sneller dan ik ze kon opschrijven. Hij durfde veel, was goudeerlijk en had een ondeugende kant. Hij hield ervan om mensen voor de gek te houden. We hebben altijd veel plezier gehad.” Maar achter die speelse kant school een man met een onwrikbaar gevoel voor rechtvaardigheid.
Op 17 september 1944 werden vier geallieerde piloten bij de familie Van der Heijden ondergebracht. Drie van hen wist Fons veilig terug te brengen naar hun troepen in Son, maar de gewonde Amerikaan Mozes de Lopez moest blijven. Hij werd verborgen boven het varkenshok, zijn uniform verstopt in de bakoven.
Drie dagen later, op die fatale woensdag, vielen de Duitsers binnen. Piet was met zijn vader naar de kerk en kwam als eerste thuis. Toen hij de voordeur opende, kreeg hij een Duits pistool onder zijn neus geduwd en werd naar buiten gedwongen. Ook Fons werd meegenomen naar het café bij de kerk. “Vermoedelijk hebben ze de kleren van de Lopez gevonden, die Mina verstopt had in de bakoven, maar mijn vader dacht dat ze de piloot zélf gezien hadden.” Op straat kruiste Piet het pad van zijn vader. “Zeg dat ik alle schuld heb,” zei Fons tegen zijn zoon. In het café namen ze afscheid. “Afschuwelijk.” Op het moment zelf heeft Piet zich nooit bang gevoeld. De angst kwam pas later, net als de eindeloze scenario’s die door zijn hoofd spookten.
Waarom de Duitsers juist hun boerderij doorzochten, blijft een raadsel. “Misschien was het de drukte rond ons huis die argwaan wekte. Misschien zijn we verraden. Het is goed dat we het niet weten, nu is er geen haat.”
Fons en Mina Van der Heijden riskeerden hun leven om anderen te helpen. Hun moed en gastvrijheid lieten een onuitwisbare indruk achter op degenen die in hun huis bescherming vonden. Vandaag herinnert de Fons van der Heijdenstraat en het gedachteniskapelletje op de plaats van zijn executie aan hun onbaatzuchtige daden. Maar bovenal leeft hun nalatenschap voort in de verhalen van hen die door hun goedheid een kans op overleven kregen.
Na de oorlog keerde het gezin Van der Heijden terug naar de boerderij, die door de Duitsers was verwoest. “We spraken nauwelijks over wat er gebeurd was. We moesten door.
Toch zijn er ook positieve herinneringen aan die tijd. “Als kind besefte je de ernst niet. Het was spannend. We mochten ’s nachts mee om piloten te zoeken. Er waren onderduikers. Het voelde als een avontuur.”
Fons van der Heijden werd na de oorlog postuum onderscheiden door de Engelse, Franse en Amerikaanse regeringen. In Netersel is een straat naar hem vernoemd. Trots? Natuurlijk. Maar zoon Piet blijft nuchter. “Ze noemen hem een held, hij is geëerd. Maar dat verandert niets aan wat er met hem is gebeurd.”
Toch is er troost. “De onderduikers en de mensen uit het dorp hebben een kapelletje gebouwd op de plek waar papa is neergeschoten. Als dank voor zijn daden. Dat heeft mij heel veel goed gedaan.”
Neergeschoten door de Duitsers in de laatste dagen van de oorlog.
Het schriftje van Jans Castelijns beschrijft de laatste dagen ten tijde van de bevrijding van Netersel.
De kapel ter nagedachtenis aan Fons van der Heijden staat op de plek van zijn fusillade.
Neergeschoten door de Duitsers in de laatste dagen van de oorlog.
Tijdens WOII verbleven in de boerderij van Fons en Mina van der Heijden onderduikers